Wat als je rijbewijs is ingevorderd na te hard rijden of rijden onder invloed?

Foto door Maksim Goncharenok via Pexels

Deze blog gaat over wanneer de politie je rijbewijs mag invorderen, wat je daartegen kan doen en hoe een advocaat je daarbij kan helpen. Deze blog gaat over een invordering door de politie en het Openbaar Ministerie. Deze blog gaat niet over invordering door het CBR, mochten daarover vragen zijn, dan kunt u ons gerust bellen.

Wet- en regelgeving

Artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 bepaalt dat de politie verplicht is om het rijbewijs in te vorderen indien er alcohol of drugs in het spel zijn. Dit geldt onder andere voor een beginnend bestuurder al vanaf een bloedalcoholgehalte vanaf 0.8 promille of een ademalcoholgehalte vanaf 350 ugl. Voor een persoon die geen beginnend bestuurder meer is dit vanaf 1.3 promille bloedalcoholgehalte of een ademalcoholgehalte van 570 ugl of hoger. Daarnaast heeft de politie de bevoegdheid om een rijbewijs in te vorderen als de bestuurder bij een ongeval betrokken is of indien de bestuurder de maximale snelheid ernstig heeft overschreden binnen de bebouwde kom. Om het rijbewijs in te kunnen nemen voor een ernstige overschrijding van de maximale snelheid binnen de bebouwde kom, moet de politie u staande houden. Ook bij een weigering tot meewerken aan een ademonderzoek of bloedonderzoek wordt het rijbewijs ingehouden.

De Officier van Justitie bepaalt of een ingevorderd rijbewijs wordt teruggegeven aan de bestuurder of wordt ingehouden. Deze beslissing moet de officier binnen 10 dagen nemen en hierbij is het vermeende recidivegevaar het criterium Met andere woorden of de bestuurder in herhaling zal vallen met betrekking tot het gepleegde strafbare feit. De ervaring leert dat de officier in principe haar richtlijnen daartoe volgt. Indien de Officier van Justitie niet binnen 10 dagen een beslissing heeft genomen, dan dient u uw rijbewijs terug te krijgen. Let wel, het kan zijn dat die beslissing pas later per post bij u aankomt.

Klaagschrift

Indien uw rijbewijs is ingevorderd, althans indien de officier van justitie heeft besloten om het rijbewijs in te houden, dan kan de strafrechtadvocaat een klaagschrift voor u opstellen met het verzoek de teruggave van het rijbewijs te gelasten. Teruggave dient onder andere plaats te vinden wanneer:

  1. Er ernstig rekening mee moet worden gehouden met de mogelijkheid dat aan de houder in geval van veroordeling door de rechter of bij uitvaardiging van een strafbeschikking geen onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid zal worden opgelegd;
  2. Er ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat aan de houder in geval van veroordeling door de rechter of bij uitvaardiging van een strafbeschikking geen onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid zal worden opgelegd van langere duur dan de tijd gedurende welke het rijbewijs is ingevorderd of ingehouden; en
  3. Het onderzoek van de zaak niet binnen zes maanden na de dag van invordering is aangevangen. Dit moet worden opgevat als zes keer 30 dagen.

Voorbeelden

Enkele voorbeelden van dergelijke procedures treft u onder andere in deze zaak uit 2020. In deze zaak is de Rechtbank positief ingegaan op het klaagschrift van de verdachte. Dit vanwege de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Hij had de snelheid fors overtreden en had recidive op verkeersfeiten, maar de persoonlijke omstandigheden wogen zwaarder

In een vergelijkbare zaak  bij dezelfde rechtbank heeft de rechtbank het klaagschrift ongegrond verklaart en het verzoek tot teruggave van het rijbewijs afgewezen. Hier wogen de persoonlijke omstandigheden juist niet zwaarder.

Conclusie

Is uw rijbewijs onlangs ingevorderd door het Openbaar Ministerie? Hulp bij de verdediging van een gespecialiseerd advocaat kan hierbij helpen. De advocaat weet wat vaak effectief is om aan te voeren en ook wat soms beter is om achterwege te laten. Bij ons op kantoor behandelt Michiel Schimmel de strafzaken. Hij is te bereiken op 035 69 44 8 33 of via michiel@hameradvocaten.nl.

Gratis gesprek met een advocaat voor een OM-zitting

Zoals de Raad voor Rechtsbijstand al eerder bekend maakte, kunnen verdachten die zich op vrije voeten bevinden een gratis gesprek met een advocaat krijgen indien de officier van justitie voornemens is een strafbeschikking op te leggen.

Er vindt geen draagkrachttoets plaats en er wordt geen eigen bijdrage opgelegd. Vanaf 1 april 2021 wijst het Openbaar Ministerie (OM) in alle uitnodigingen voor een verhoor als hiervoor bedoeld, de verdachte op die mogelijkheid. Als een verdachte in aanmerking komt voor het standaard consult staat dit dus altijd in de brief vermeld die hij of zij ontvangt van het OM.

Het standaard consult moet ergens tussen het contact met de advocaat en de dag van de hoorzitting plaatsvinden. Voor het voeren van het gesprek is geen specifieke vorm vereist. Afhankelijk van de situatie kan dat gesprek telefonisch, via een beeldverbinding of face-to-face plaatsvinden.

Ook ons kantoor doet hieraan mee. Mocht u een strafbeschikking ontvangen waarop staat dat je contact kan zoeken met de Raad voor Rechtsbijstand, dan staat het je vrij direct contact te zoeken met ons kantoor. Bij ons op kantoor behandeld Michiel Schimmel de strafzaken. Hij is bereikbaar via michiel@hameradvocaten.nl, 035 69 44 8 33 of bij spoed via 06 247 196 89. Als u contact met ons zoekt, dan is het handig om de strafbeschikking bij de hand te hebben.

Wij kunnen u alsdan adviseren over de gevolgen van het al dan niet accepteren van een strafbeschikking, de kosten en baten van het instellen van verzet en het eventueel meenemen van een advocaat naar de zitting. Verder kunnen wij, als u ons op tijd belt, uw dossier opvragen en een nadere inschatting geven van uw kansen. Hierbij geldt wij dat wij geen positieve uitkomst kunnen garanderen.

Als u daarnaast onze bijstand wenst op de OM-hoorzitting, dan gelden “oude” regels. Hiervoor blijft het aanvragen van een toevoeging van toepassing en geldt de inkomenstoets met vaststelling eigen bijdrage. Meer informatie over de totstandkoming van deze regeling treft u hier https://www.advocatenorde.nl/nieuws/gratis-consult-van-advocaat-bij-om-strafbeschikking.


Hou gewoon je mond dicht als je aangehouden bent

Opsporingsmethodes, en dan voornamelijk bijzondere opsporingsmethodes, zijn de laatste tijd vol in het nieuws. Van de mr. Big methode tot ontvoerde getuigen, er is veel aan de hand in opsporingsland. Deze zaak gaat over een heel simpele, te wetenhet stelselmatig inwinnen van informatie door een politieagent, zonder dat de verdachte weet dat het een politieagent is. Deze blog is geschreven naar aanleiding van deze conclusie van de advocaat-generaal.
Wat was er aan de hand? De verdachte wordt verdacht van brandstichting in een woning waarbij een slachtoffer overleden is. 

De verdachte is op 7 maart 2017 aangehouden en maakte tijdens verhoren gebruik van haar zwijgrecht. Verder was ze aangemerkt als kwetsbare verdachte Terwijl de verdachte in het arrestantencomplex zat (de zaak maakt niet duidelijk welk complex, maar gezien de vermeende pleegplaats neem ik aan het arrestantencomplex te Houten), knoopte een medeverdachte een praatje aan op de luchtplaats. Dit gesprek ging al snel van een algemeen praatje naar een gesprek waarin de verdachte de brandstichting grofweg bekende. De medeverdachte was echter geen aangehouden verdachte, maar een undercover politieagent. In deze blog lees je wat de advocaat-generaal van deze methode vindt.

In geval van verdenking van een misdrijf kan de officier van justitie in het belang van het onderzoek bevelen dat een opsporingsambtenaar als bedoeld in de artikelen 141, onderdelen, b, c en d, en 142, zonder dat kenbaar is dat hij optreedt als opsporingsambtenaar, stelselmatig informatie inwint over de verdachte.

Juridisch kader

De agent werkte undercover als medegedetineerde op basis van artikel 126j van het Wetboek van Strafvordering. Dit artikel luidt voor zover van belang:

De Hoge Raad heeft in 2002 een aantal eisen geformuleerd voor toepassing van dit artikel, te weten:

– de bijzondere ernst van het misdrijf moet de inzet van het middel rechtvaardigen (proportionaliteit), terwijl een andere wijze van opsporing redelijkerwijs niet voorhanden is (subsidiariteit);

– de verklaringen mogen niet worden verkregen in strijd met de verklaringsvrijheid van de verdachte zoals gewaarborgd door artikel 29 Sv en artikel 6 EVRM. Daarbij komt betekenis toe aan de proceshouding van verdachte, hetgeen zich in het voorbereidend onderzoek voor en gedurende de periode waarin de informant optreedt heeft afgespeeld, de aard en intensiteit van de door de informant ondernomen activiteiten jegens de verdachte, de mate van druk die daarvan jegens de verdachte kan zijn uitgegaan en de mate waarin de handelingen en gedragingen van de informant tot de desbetreffende verklaringen van de verdachte hebben geleid (HR 9 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN9195);

– er moet een voldoende nauwkeurige verslaglegging zijn zodat de rechter in staat wordt gesteld het een en ander te kunnen beoordelen. Naast verslaglegging door middel van verbalisering ligt in de rede dat voor zover dat bij de uitvoering van het opsporingstraject mogelijk is, de communicatie auditief of audiovisueel wordt geregistreerd (HR 19 december 2019, (ECLI:NL:HR:2019:1983).

Het EHRM heeft in de zaak Allan tegen het Verenigd Koninkrijk aangegeven dat het zwijgrecht voortvloeit uit de verklaringsvrijheid van de verdachte en bedoeld is om een verdachte te beschermen tegen oneigenlijke druk van de autoriteiten, waardoor (ook) voorkomen wordt dat valse bekentenissen worden afgelegd.[1]

Oordeel gerechtshof

Bij het gerechtshof werd ten eerste de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie bepleit. Hierin gaat het hof niet mee. Het hof stelt dat het ging om een levensdelict waarbij een jong meisje was omgekomen, wat de inzet van het middel rechtvaardigt. Verder stelt het hof dat de kans om met minder verstrekkende middelen tot een bekentenis te komen, niet reëel was. Een uitzending op Opsporing Verzocht en onderschepte communicatie hadden geen hard bewijs opgeleverd.

Verder stelt het Gerechtshof dat de verklaringsvrijheid niet in het gedrang is gekomen. Immers werd er volgens het gerechtshof door de undercover agent geen druk uitgeoefend. Verder blijkt uit het feit dat zij ging zwijgen op het moment dat zij doorkreeg dat er camera’s hingen, zij haar wil kon bepalen.

Tevens stelt het gerechtshof dat direct na de inzet van de undercover agent een gedetailleerd proces-verbaal is opgemaakt en dat dit niet gebeurde tijdens de gesprekken. Verder zijn de gesprekken niet opgenomen, terwijl dit makkelijk had gekund en wel gebeurde in de verhoren. Verder was de verdachte kennelijk kwetsbaar. Nu dit wel had moeten gebeuren, en niet gebeurd is, vindt het hof dat er een onherstelbaar vormverzuim heeft plaatsgevonden.

Gevolgen verzuim

De vraag is dan welke gevolgen er aan dit verzuim verbonden moeten worden. Voor niet-ontvankelijkheid is volgens het gerechtshof geen plek, tevens is het verzuim volgens het hof niet ernstig genoeg voor bewijsuitsluiting. Dit onder andere omdat de verdachte daderkennis had in het verhoor. Ze verklaarde dat de brand was gesticht met een graffitispuitbus. Dit was tot dan toe nog niet bekend. Hierom volstaat het hof met een constatering van het verzuim en verbindt het hof er geen gevolgen aan.

Middelen

Over onder andere dit oordeel klaagt de verdachte bij de Hoge Raad. De advocaat-generaal gaat uitgebreid hierop in, te beginnen met de niet-ontvankelijkheid. Ten aanzien van de niet-ontvankelijkheid heeft het hof besloten, aldus de advocaat-generaal, dat niet een zodanige inbreuk is gemaakt op het recht van de verdachte tot een eerlijke behandeling van de zaak dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces als in artikel 6 EVRM. Hiervoor was de verslaglegging, ondanks het ontbreken van opnames, voldoende nauwkeurig.

Dan de bewijsuitsluiting. Ten eerste stelt de advocaat generaal vast dat het verloop van de gesprekken met de undercover agent wel gecontroleerd kan worden aan de uitvoerig en gedetailleerd opgestelde stukken. Het ontbreken van opnames betekent volgens de advocaat-generaal niet dat de stukken van de politie per definitie onwaar zijn. In dit geval heeft het hof geoordeeld dat de stukken voldoende betrouwbaar zijn, een oordeel wat volgens de advocaat-generaal gezien de selectie- en waarderingsvrijheid niet onbegrijpelijk is.

Verder stelt de advocaat-generaal dat de verkregen processen-verbaal niet verkregen zijn door het ontbreken van opnames. Het bestaan van deze stukken is geen gevolg van het vergeten van het opnemen van de gesprekken. Gelet op dit alles faalt dit middel volgens de advocaat-generaal.

Soms mag je niet zonder advocaat naar de zitting

In een arrest van 26 januari 2021 heeft de Hoge Raad besloten dat het Gerechtshof De Haag de verdachte opnieuw dient te berechten vanwege het volgende.

Aan de verdachte was een advocaat toegewezen door het Gerechtshof omdat het hof van mening was dat de verdachte niet in staat is om zijn eigen belangen te behartigen. De advocaat diende als raadsman op te treden voor de verdachte, maar heeft dit niet gedaan doordat hij zonder zijn toga te dragen plaats heeft genomen op de publieke tribune van de zittingszaal. Daarnaast heeft hij niet ten behoeve van de verdachte het woord tot verdediging gevoerd en heeft hij voorafgaand aan het requisitoir van de advocaat-generaal bij het hof de zittingszaal verlaten. Omdat de beslissing van de rechter om de verdachte een advocaat toe te wijzen beruste op het feit dat de verdachte niet in staat was om zijn eigen belangen te behartigen, had het hof onder deze omstandigheden de zaak niet mogen berechten en het onderzoek ter terechtzitting niet mogen sluiten.

Wet- en regelgeving

Normaal gesproken heeft een verdachte de vrije keuze of hij zich in het proces wil laten bijstaan door een advocaat of zelf de verdediging wil voeren. De beslissing van de rechter om de verdachte een raadsman toe te wijzen is gelegen in de artikelen 509a en 509c van het Wetboek van Strafvordering.

Indien een verdachte een psychische aandoening, psychogeriatrische aandoening of een verstandelijke beperking heeft, ligt dit anders. Artikel 509a Sv bepaalt dat de rechter kan bepalen dat een verdachte die geestelijke of psychologische problematiek heeft een advocaat toegewezen kan krijgen om zijn belangen te behartigen.

Artikel 509c Sv bepaalt dat de rechter het bestuur van de raad voor de rechtsbijstand bevoegd is de verdachte een raadsman toe te wijzen om zijn belangen te behartigen. Als een advocaat op grond van 509a Sv is toegewezen, dan is de raadsman bevoegd en gehouden op te treden, ook al geeft de verdachte te kennen dat hij geen rechtsbijstand wenst of zich niet kan verenigen met de wijze waarop de raadsman aan die bijstand invulling geeft. Dit oordeelde de Hoge Raad reeds in 2009.[1] . Met dit artikel is beoogd om verdachten die niet in staat moeten worden geacht hun positie in het strafproces te bepalen, te verzekeren van een effectieve verdediging. 

Toepassing

Het is een verplichting van de advocaat om de belangen van de verdachte te behartigen. Indien de verdachte het niet eens met de toewijzing van de advocaat dient deze alsnog als de advocaat op te treden voor de verdachte indien de advocaat op grond van 509a Sv is aangewezen.

Dit betekent dat hij de verdachte dient bij te staan al zijn advocaat en niet zonder toga plaats kan nemen op de publieke tribune. De Hoge Raad stelt dan ook dat het hof onder deze omstandigheden niet de zaak had mogen behandelen.

Conclusie

Heeft u een advocaat nodig die u belangen behartigd tijdens de zitting. Neem dan contact op met de strafrechtadvocaat bij Hamer Advocaten. Michiel Schimmel is via michiel@hameradvocaten.nl of telefonisch via 035 69 44 8 33 bereikbaar.

Rijden als je rijbewijs ongeldig is verklaard, wat nu als je dat niet weet?

Over dit probleem gaat een recent arrest van de Hoge Raad. Wat was er aan de hand? In 2016 wordt een man gestopt voor een verkeerscontrole. Bij deze verkeerscontrole blijkt dat het rijbewijs van de man ongeldig is verklaard per september 2010. De reden van de ongeldigverklaring was dat de man de Educatieve Maatregel Alcohol en Verkeer had opgelegd gekregen en de kosten hiervoor niet had voldaan.

Het besluit tot ongeldigverklaring is vervolgens aangetekend naar de man gestuurd.

De straffen hierop zijn niet mals. De richtlijnen van de rechtspraak geven hiervoor bij first offenders al een gevangenisstraf van twee weken.

Artikel 9 Wegenverkeerswet 1994

Artikel 9 van de Wegenverkeerswet bepaalt, samengevat, dat het degene die weet of redelijkerwijs moet weten dat hem de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen is ontzegd, verboden gedurende de tijd dat hem die bevoegdheid is ontzegd, op de weg een motorrijtuig te besturen of als bestuurder te doen besturen. De verschillende leden van artikel 9 WVW gaan over de verschillende manieren hoe een rijbevoegdheid ontzegd kan worden (strafrechtelijk en bestuursrechtelijk in allerlei variaties), maar bottom line is dat als een instantie je verboden heeft te rijden, je strafbaar bent als je alsnog gaat rijden.

Centrale vraag

In deze zaak stond echter de vraag centraal of de man wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Agenten hadden het in het verleden weleens in andere zaken tegen hem gezegd, er was een aangetekende brief naar zijn adres gestuurd en hij had zijn rijbewijs in 2012 ingeleverd, maar uit het bewijs wat het Hof heeft gebruikt om tot een bewezenverklaring te komen kan niet voldoende worden afgeleid dat de man daadwerkelijk wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Hierin is belangrijk dat het besluit tot ongeldigverklaring hem nooit daadwerkelijk persoonlijk is uitgereikt. De Hoge Raad stelt letterlijk:

“Uit de bewijsvoering kan niet zonder meer volgen dat de verdachte op 20 juli 2016 ‘wist’ dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Anders dan het hof heeft geoordeeld, is de omstandigheid dat het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de verdachte per aangetekende brief is verzonden naar het toenmalige adres van de verdachte en de verdachte zijn rijbewijs kennelijk op 23 november 2012 heeft ingeleverd daartoe niet voldoende. Evenmin kan dit worden afgeleid uit de door het hof tot het bewijs gebezigde verklaringen van de verdachte uit 2015, ook niet wanneer die worden bezien in samenhang met de vragen naar aanleiding waarvan hij die verklaringen heeft afgelegd, noch uit de overige omstandigheden die het hof in aanmerking heeft genomen. De bewezenverklaring is daarom op dit punt ontoereikend gemotiveerd (vgl. HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1146).“

Conclusie

Als je verdacht wordt van rijden tijdens een ontzegging van de rijbevoegdheid, is het van cruciaal belang of uit het bewijs kan worden afgeleid dat je daadwerkelijk wist dat je rijbewijs ongeldig is verklaard. Zolang dit niet vaststaat, valt hier een goed verweer op te voeren. Ben je gedagvaard voor overtreding van artikel 9 van de Wegenverkeerswet 1994, dan is het zaak zo snel mogelijk contact op te nemen met Michiel Schimmel. Dit kan via 035 69 44 8 33 of per mail naar michiel@hameradvocaten.nl.