Kan de officier van justitie op zitting de tenlastelegging nog wijzigen en zo ja, wanneer? Hierover heeft de Hoge Raad afgelopen zomer een interessant arrest gewezen (die je hier vindt).
Een tenlastelegging is het deel van de dagvaarding waarin de officier van justitie opschrijft van welk strafbaar feit een verdachte wordt verdacht. Er staat in wat de verdachte zou hebben gedaan, en ook wanneer, waar en hoe dat gebeurde. Zo kan een tenlastelegging tijdens een strafzaak door het Openbaar Ministerie (hierna: OM) worden gewijzigd. De officier van justitie kan op grond van artikel 313 van het wetboek van strafvordering (hierna: Sv) vorderen dat de tenlastelegging wordt gewijzigd. Van belang hierbij is wel dat deze mogelijkheid grenzen kent.
In de onderstaande uitspraak werd een verdachte vervolgd voor de handel in cocaïne gedurende een periode van ongeveer dertien dagen. Tijdens de behandeling bij de rechtbank wilde het OM die periode echter aanzienlijk uitbreiden met een jaar. Zo betrof de tenlastelegging niet langer 30 mei 2018 tot en met 11 juni 2018, maar 11 juni 2017 tot en met 11 juni 2018. Dit lijkt op het eerste gezicht slechts een wijziging van een datum, maar vanuit juridisch perspectief kan een dergelijke wijziging in de tenlastelegging aanzienlijk verder reiken.
Het toetsingskader
De vraag of een wijziging van de tenlastelegging toelaatbaar is, komt neer op een feit, te weten of er sprake is van hetzelfde feit. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van ‘hetzelfde feit’, dient de rechter te kijken naar het verschil tussen het oorspronkelijke verwijt en het verwijt na de wijziging van de tenlastelegging. Daarbij vergelijkt de rechter niet alleen de juridische omschrijving van het feit, maar ook de concrete gedragingen die de verdachte worden verweten.
Bij die toetsing dienen de volgende gegevens als relevante vergelijkingsfactoren te worden betrokken. Allereerst is de juridische aard van de feiten van belang. Indien de ten laste gelegde feiten niet onder dezelfde delictsomschrijving vallen, kan betekenis toekomen aan de mate waarin de strafbare feiten van elkaar verschillen, in het bijzonder wat betreft de rechtsgoederen die met de onderscheiden delictsomschrijvingen worden beschermd en de daarop gestelde strafmaxima. In die strafmaxima komt onder meer de aard van het verwijt tot uitdrukking, evenals de kwalificatie van het feit als misdrijf dan wel overtreding. Ten tweede speelt de gedraging van de verdachte een rol bij de toetsing.
Zo vloeit uit de bewoordingen van het begrip ‘hetzelfde feit’ al voort dat de beantwoording van de vraag wat daaronder moet worden verstaan, mede wordt bepaald door de omstandigheden van het geval. De Hoge Raad heeft destijds geoordeeld dat als er een aanzienlijk verschil is in de juridische aard van de feiten en/of in de gedragingen dit kan leiden dat er geen sprake is van ‘hetzelfde feit’ krachtens artikel 68 Sr, zie (ECLI:NL:HR:2011:BM9102.).
Wat besliste de Hoge Raad
In het arrest van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2026:1192) stond de vraag dus centraal of het OM de tenlastegelegde periode van dertien dagen kan uitbreiden naar ongeveer één jaar, zonder dat daardoor sprake is van een ander feit krachtens artikel 68 wetboek van strafrecht (hierna: Sr) en artikel 313 Sv?
De rechtbank stond echter toe dat deze periode werd uitgebreid naar 11 juni 2017 tot en met 11 juni 2018. Daarmee werd de verdachte uiteindelijk vervolgd voor cocaïnehandel gedurende ongeveer een jaar.
De raadsman van verdachte verzette zich daartegen. Het ging immers niet meer om dezelfde feitelijke omstandigheden. De uitbreiding van de periode bracht ook nieuwe, afzonderlijke drugsverkopen binnen de tenlastelegging die oorspronkelijk helemaal niet aan de verdachte werden verweten. Dit zou de rechtspositie van verdachte in het geding kunnen brengen.
Het hof verwierp dit verweer van de raadsman. Volgens het hof bleef de juridische aard van het feit hetzelfde, want het ging nog steeds om het handelen in cocaïne. Ook de gedraging van de verdachte was volgens het hof niet zodanig veranderd dat niet langer sprake was van ‘hetzelfde feit’ op grond van artikel 68 Sr. Het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte in de periode van 11 juni 2017 tot en met 11 juni 2018 opzettelijk cocaïne heeft verkocht en verstrekt.
Hoewel de uitbreiding van de periode dezelfde juridische kwalificatie heeft, is naar het oordeel van de raadsman sprake van onvoldoende samenhang tussen de verweten gedragingen. Hierbij zijn de aard en strekking van de gedragingen, tijd, plaats en omstandigheden waaronder zij zijn verricht relevant. Bovendien is het dealen van drugs niet aan te merken als voortdurend delict. Om hiervan te spreken moet er telkens een aparte handeling plaatsvinden waarbij die handelingen vaak ook op verschillende plaatsen worden verricht. Door de uitbreiding van de periode voor de duur van een jaar wordt het feitencomplex aangevuld met wezenlijk andere feitelijke handelingen die in een te ver verwijderd verband staan van de oude ten laste gelegde handelingen, aldus de raadsman.
De Hoge Raad oordeelde dat de aanzienlijke uitbreiding van de tenlastegelegde periode in dit geval niet kon worden aangemerkt als een wijziging die nog betrekking had op ‘hetzelfde feit’. Zo leidde de uitbreiding van de periode ertoe dat de tenlastelegging ook zag op afzonderlijke strafbare gedragingen, waaronder meerdere drugsverkopen gedurende meer dan elf maanden, die buiten het bereik van de oorspronkelijke tenlastelegging vielen. Daarmee had het hof volgens de Hoge Raad onjuist geoordeeld.
De grens van artikel 313 Sv
Het OM heeft middels artikel 313 Sv de mogelijkheid om een tenlastelegging te wijzigen. Die mogelijkheid is belangrijk, omdat tijdens een strafzaak nieuwe inzichten kunnen ontstaan en kan het nodig zijn om de tenlastelegging daarop aan te passen. Er bestaat echter een nuance, aangezien dit wetsartikel niet toestaat dat een ander feitencomplex onder het mom van een wijziging alsnog aan de verdachte wordt voorgelegd. De besproken uitspraak van de Hoge Raad benadrukt daarmee het belang van de samenhang tussen de oorspronkelijke en de gewijzigde tenlastelegging.
Conclusie
Uit de rechtspraak is gebleken dat een wijziging van een tenlastelegging niet uitsluitend vanuit een formeel perspectief moet worden bekeken. Dat de juridische kwalificatie ongewijzigd blijft, betekent niet zonder meer dat sprake is van ‘hetzelfde feit’. Het is dus onvoldoende om te zeggen: “het gaat nog steeds om cocaïnehandel, dus het is hetzelfde feit.” Ook de concrete gedragingen van de verdachte en de omvang van het feitencomplex zijn belangrijk. Een uitbreiding van ongeveer dertien dagen naar bijna een jaar kan ertoe leiden dat nieuwe en afzonderlijke strafbare gedragingen aan de verdachte worden verweten. Een uitbreiding van een periode kan daarbij grote gevolgen voor verdachte hebben. Een verdachte die aanvankelijk wordt geconfronteerd met een verwijt over een periode van dertien dagen, kan na een wijziging ineens worden geconfronteerd met een verwijt dat bijna een jaar bestrijkt.
Kortom een datumwijziging is niet altijd slechts een datumwijziging!
Op ons kantoor hebben Michiel Schimmel en Thyrsa Buskop veel ervaring met allerlei soorten strafzaken. U kan gerust en geheel vrijblijvend contact met hen opnemen via 035 69 44 8 33.
