Hoewel het alweer een geruime tijd geleden is dat de coronapandemie de wereld in zijn greep hield, is recentelijk door de Hoge Raad een arrest gewezen dat ons weer kort doet terugkeren naar deze periode. In deze zaak speelt het juridische begrip ‘opruiing’ de hoofdrol en de (casusspecifieke) grens tussen dit begrip en een geoorloofd beroep op vreedzame vereniging. Met andere woorden: wanneer is de oproep tot een demonstratie een recht en wanneer behoeft dit een strafrechtelijke reactie? En hoe spelen de uitzonderlijke omstandigheden uit 2020 hier een rol in?
In deze blog nemen we je mee in het juridisch kader van opruiing in de zin van artikel 131 lid 1 Sr en de verhouding tussen dit artikel en het recht op vrijheid van meningsuiting (artikel 10 EVRM) en vrijheid van vergadering en vereniging (artikel 11 EVRM).
Allereerst: wat is ‘opruien’?
Het werkwoord “opruien” werd waarschijnlijk al voor het jaar 1000 gebruikt en is in de dertiende eeuw voor het eerst op schrift aangetroffen in het Nederlands. In het Middelnederlands betekende het zoiets als “uit de grond omhoog halen” of “omwoelen” waarna het vanaf de zestiende eeuw ook figuurlijk gebruikt werd in de zin van “oprakelen” of “ophitsen”.[1] Het werkwoord kent in de Nederlandse taal aldus een lange geschiedenis. Maar wat betekent het nu in strafrechtelijke zin? Opruiing in de zin van het wetboek van strafrecht sluit goed aan bij het gebruik van het woord uit de zestiende eeuw, namelijk: het openbaar aanzetten tot een strafbaar feit of gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag. Dit kan mondeling, schriftelijk of aan de hand van een afbeelding geschieden.
[1] Onze Taal, Woordpost, 15 september 2016.
‘Strafrechtelijke’ opruiing
In het arrest wordt een duidelijk kader geschetst ter beoordeling van (juridische) opruiing. Wat maakt dat een bepaalde uitlating wordt gekwalificeerd als een handeling onder artikel 131 Sr? Uit eerdere jurisprudentie volgt dat het hierbij moet gaan om de volgende elementen: 1) de inhoud en strekking van de gedane uitspraken in hun onderlinge samenhang, 2) de context waarin de uitspraken zijn gedaan en 3) in hoeverre de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de uitingen anderen aansporen tot strafbaar gedrag of geweld tegen de openbare orde (ook wel: de opzet van verdachte). Aanvullend geldt hierbij dat niet is vereist dat het feit waartoe wordt opgeroepen ook daadwerkelijk als gevolg van die oproeping heeft plaatsgevonden. Met andere woorden: het strafrechtelijke van de opruiing ligt verscholen in het oproepen zelf, niet in de uitvoering van het concrete strafbare feit waartoe wordt opgeroepen. Ook behoeft de ‘oproeper’ zich niet bewust te zijn van het strafbare feit waartoe hij of zij oproept.
Verhouding tot artikel 10 EVRM en artikel 11 EVRM
Opruiing is zoals we hebben gezien dus het doen van openbare uitlatingen (zowel mondeling, schriftelijk als aan de hand van een afbeelding), die oproepen tot een strafbaar feit óf een gewelddadig optreden tegen de openbare orde. Het recht op vrijheid van meningsuiting en het recht op vergadering en vereniging schuren hier op het eerste gezicht, voor wat betreft het deel vóór de komma, dicht tegenaan. Toch is het verschil groot: bij het recht op vereniging en vergadering is er namelijk sprake van een vreedzaam samenkomen. Bij opruiing ontbreekt logischerwijs dit element, en, niet geheel onbelangrijk, wordt er niet opgeroepen tot een strafbaar feit of geweld. Of een handeling wordt gekwalificeerd als opruiing wordt, zoals eerder benoemd, bepaald door de inhoud of strekking van de betreffende uitlatingen, de context en de opzet. Daarnaast bepaalt Europese jurisprudentie dat de strafrechtelijke reactie niet dusdanig hevig mag zijn dat hierdoor in de toekomst andere mensen niet meer durven te protesteren of hun mening durven te uiten (het zogenaamde “chilling effect”)[1]. Tot slot zijn de rechten uit het EVRM niet absoluut en dus onderhevig aan de “beperkingsclausule”. Met deze clausule wordt per artikel bepaald dat er een beperking is toegestaan mits dit bij wet is voorzien, het een gerechtvaardigd doel dient en het noodzakelijk is in een democratische samenleving.
[1] ECLI:NL:HR:2025:1438 en EHRM 15 oktober 2015, nr. 37553/05 (Kudrevičius e.a./Litouwen).
Inzoomen op corona-uitlatingen: waarom is hier sprake van opruiing?
Terug naar de zaak. Welke uitlatingen stonden ter discussie? In cassatie ging het met name om de volgende uitlatingen:
“De rechter heeft Viruswaanzin verboden om de demonstratie te organiseren. Wij, op persoonlijke titel, zijn zondag op het Malieveld. Ik nodig iedereen uit te komen. Het is ons recht om te demonstreren. Dit mogen wij doen. Daar kan niemand ons bij tegenhouden en we hebben heel veel organisaties achter ons”, en;
“Dit is ons land en het is afgelopen. Het is afgelopen met deze onzin. Wij gaan demonstreren zondag op het Malieveld. Niet namens Viruswaanzin, wel in de geest van Viruswaanzin, dus ik hoop dat jullie allemaal mee komen. In liefde en geduld. Natuurlijk non violent en non cooperation”.”
In hoger beroep oordeelt het hof allereerst over de inhoud en strekking (punt 1) dat in de zinnen “niemand kan ons tegenhouden” en “het is afgelopen (met deze onzin)” een zeer duidelijke en directe oproep schuilgaat. Dit wordt bovendien versterkt tegen de achtergrond van het vóór de oproep uitgesproken verbod op een demonstratie. Hier huist dan ook meteen de opzet (punt 3): de oproep was erop gericht anderen aan te sporen deel te nemen aan een verboden demonstratie. Ook gaat het hof in op de unieke ‘corona’ context van de gedane uitlatingen (punt 2). Het hof stelt hierover dat Nederland tijdens de coronapandemie een “ongekende periode” doormaakte. De angst en onzekerheid, de druk op de gezondheidszorg en de zorgen over het aantal intensive-care bedden dwong de overheid ertoe beperkende maatregelen te treffen. Hierbij moest dan ook steeds een balans worden gevonden tussen twee conflicterende belangen: de bescherming van de volksgezondheid enerzijds en de vrijheid van burgers anderzijds. In de context van de coronapandemie viel deze balans sneller uit naar een beperking van vrijheden ter bescherming van de volksgezondheid. De Hoge Raad is het hiermee eens.
Niet in strijd met het EVRM
Het hof oordeelt dat de veroordeling voor opruiing niet in strijd is met artikel 10 en 11 EVRM. De toen bestaande coronapandemie en de daarmee gepaarde onzekerheden en zwaarbelaste gezondheidszorg maakte dat er een “pressing social need” bestond voor het opleggen van beperkingen aan de vrijheid van burgers. Deze beperking geldt volgens het hof zelfs bij het oproepen tot vreedzame vereniging. De uitlatingen van verdachte zouden “dusdanig laakbaar” zijn dat er een noodzakelijke en gerechtvaardigde grond bestond om het recht op vrijheid van meningsuiting en vereniging te beperken. Opvallend daarbij is dat het hof hier nog aan toevoegt dat de zinnen “in liefde en geduld” en “natuurlijk non violent en non cooperation” hier geen matigend effect op hebben. Tot slot, wat nu met het “chilling effect”? Het hof oordeelt dat hier geen sprake van is. De opgelegde taakstraf van 60 uren is een relatief lage sanctie voor de aard en ernst van de (meervoudige) opruiing en maakt niet dat anderen in de toekomst bang zullen zijn hun mening te uiten. De Hoge Raad gaat mee in het oordeel van het hof.
Conclusie
Dit arrest geeft een duidelijk overzicht met betrekking tot de beoordeling van opruiing en werpt bovendien licht op de verhouding van dit strafbare feit tot de rechten uit het EVRM. Tegelijkertijd speelt het zich af in het zeer specifieke feitenkader van de coronapandemie. Toch leert het ons dat de balans tussen enerzijds de verplichting van de overheid om de gezondheid van burgers te waarborgen en de vrijheid van burgers anderzijds, in deze context dus anders mag worden gewogen. Hoewel in deze zaak volgens zowel het hof als de Hoge Raad evident sprake was van opruiing, waren ook meer vreedzame uitlatingen niet zomaar toegelaten. Al met al dus een uitgebreid vonnis waar we veel van kunnen leren.
Op ons kantoor hebben Michiel Schimmel en Thyrsa Buskop veel ervaring met allerlei soorten strafzaken. Mocht u hier vragen over hebben, dan kan u gerust en geheel vrijblijvend contact met hen opnemen via 035 69 44 8 33.
