Skip to content

Hoe belangrijk een verklaring kan zijn na een verkeersongeluk

Op 7 september 2021 heeft de Hoge Raad arrest gewezen
in een opmerkelijke verkeerszaak. Het volgende is er aan de hand. De verdachte
is tijdens de jaarwisseling van 2017 op 2018 met een slokje op achter het stuur
gestapt. Een vriend van hem heeft die avond plaatsgenomen naast de verdachte op
de bijrijdersstoel. Al snel veroorzaakte de verdachte een aanrijding met een
ander voertuig die hij over het hoofd had gezien. Vervolgens rijdt de verdachte
over de stoep heen weg.

Dit deed hij naar eigen zeggen omdat hij in paniek raakte
van de aanrijding. Daarna is hij een straat ingereden waar zich winkels,
woningen en horecagelegenheden bevinden en waar veel mensen aanwezig waren om
de jaarwisseling te vieren. In die straat mag er worden gereden met een
maximale snelheid van 30 kilometer per uur. De verdachte reed op dat moment ongeveer
60 kilometer per uur en heeft daarbij een voetganger aangereden, minstens 20
meter meegesleurd waarna zij van de motorkap af viel en is vervolgens over haar
benen heen gereden. De verdachte is bij geen van beide aanrijdingen gestopt en
heeft zich willen ontdoen van de bestelbus waar hij op dat moment in reed om te
voorkomen dat hij werd opgepakt. Tijdens de zitting heeft de verdachte
aangevoerd dat hij zo erg in paniek was dat hij door die gemoedstoestand het
gas heef ingetrapt en daarmee dus niet de voorwaardelijke opzet heeft gehad om
de vrouw aan te rijden. De verdachte is poging tot doodslag ten laste gelegd.
Hiervoor is vereist dat hij het (voorwaardelijke) opzet had op de dood van het
slachtoffer. Dit is opmerkelijk want in de meeste vergelijkbare verkeerszaken
wordt, samengevat, dood of zwaar lichamelijk letsel door schuld ex artikel 6
jo. 175 WVW 1994 laste wordt gelegd. [1]

Bij het Gerechtshof heeft de verdachte een gevangenisstraf
van 4 jaar een een rijontzegging van 5 jaar gehad. De verdachte gaat hiertegen
in cassatie bij de Hoge Raad.

 

Voorwaardelijk opzet/bewuste schuld

De kern van het verschil tussen dood/zwaar lichamelijk letsel door schuld en poging doodslag zit in de vraag of er sprake is van opzet of schuld en in dit soort zaken meer specifiek of er sprake is van voorwaardelijke opzet en bewuste schuld. Bij voorwaardelijke opzet heeft de pleger zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het gevolg intreedt. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zo’n aanmerkelijke kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedragingen bewust heeft aanvaard.

Bij bewuste schuld is de pleger er op lichtzinnige wijze vanuit gegaan dat het gevolg waarschijnlijk niet zal intreden. [1] Om een simpel voorbeeld te geven. Als men met hoge snelheid een auto inhaalt waar dat niet is toegestaan, dan is men zich ervan bewust dat men op een tegenligger kan botsen, maar gaat men ervan uit dat dit niet gebeurt. Iemand is zich dan wel bewust van een bepaalde kans, maar aanvaardt die niet. In dit geval is er dus geen aanvaarding van een kans.

De Hoge Raad stelt hierover:

In zijn arrest van 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049 heeft de Hoge Raad verder overwogen dat wat betreft de vraag of sprake is van bewuste aanvaarding van zo een kans heeft te gelden dat uit de enkele omstandigheid dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, niet zonder meer kan volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg ook bewust heeft aanvaard, omdat ook sprake kan zijn van bewuste schuld. Van degene die weet heeft van de aanmerkelijke kans op het gevolg, maar die naar het oordeel van de rechter ervan is uitgegaan dat het gevolg niet zal intreden, kan wel worden gezegd dat hij met (grove) onachtzaamheid heeft gehandeld maar niet dat zijn opzet in voorwaardelijke vorm op dat gevolg gericht is geweest.


Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van bewuste schuld of van voorwaardelijk opzet zal, als de verklaringen van de verdachte en/of bijvoorbeeld eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven omtrent wat tijdens de gedraging in de verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contraindicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard.”

Toepassing

Gelet op het voorgaande overweegt het hof dat er een aanmerkelijke kans bestond dat de verdachte, door zich onder de gegeven omstandigheden op deze manier te gedragen, iemand zou aanrijden waardoor deze vervolgens zou komen te overlijden. Door met drank op achter het stuur te stappen en vervolgens met een behoorlijke snelheid weg te rijden na een ongeval, heeft de verdachte zich willens en wetens blootgesteld aan de kans om iemand aan te rijden en daarmee van het leven te beroven. Dit geldt des te meer omdat de verdachte eerder op de avond een ander had aangereden en kennelijke “koste wat kost” wilde ontkomen aan een aanhouding naar aanleiding van de eerste aanrijding. Om deze reden mocht het gerechtshof oordelen dat de verdachte zich bewust was van de aanmerkelijke kans en deze aanvaard heeft. Om deze redenen voldoet de verdachte aan het opzetvereiste uit artikel 287 van het wetboek van strafrecht en kan hij gestraft worden voor poging tot doodslag.

“Het hof heeft in zijn hiervoor weergegeven bewijsoverwegingen gemotiveerd op grond waarvan naar zijn oordeel het onder 2 (primair) tenlastegelegde opzet op de dood van [slachtoffer 1] bewezen is. Het hof heeft daarbij in het bijzonder in aanmerking genomen dat de verdachte kort voor de in de tenlastelegging bedoelde aanrijding een andere aanrijding heeft veroorzaakt, de verdachte – die wist dat hij was gaan rijden terwijl zijn rijbewijs ongeldig was verklaard en hij (te) veel alcohol had gedronken – kennelijk “koste wat het kost” wilde ontkomen aan een aanhouding naar aanleiding van de eerste aanrijding, hij daarbij “een grote mate van onverschilligheid heeft getoond ten aanzien van zijn rijgedrag en de veiligheid van anderen” en hij toen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat een fatale aanrijding zou plaatsvinden. Die oordelen getuigen niet van een onjuiste rechtsopvatting en zijn niet onbegrijpelijk, mede in het licht van wat het hof heeft vastgesteld over het (rij)gedrag van de verdachte, de bewustheid van de verdachte omtrent de bijzondere situatie ter plaatse gedurende die nieuwjaarsnacht en de omstandigheden waaronder de verdachte met de door hem bestuurde bestelauto tegen de voetganger [slachtoffer 1] is aangereden en daarna is doorgereden waarbij hij, ondanks de waarschuwing van een zich in de bestelbus bevindende bijrijder dat de verdachte iemand had aangereden, over de benen van [slachtoffer 1] heen is gereden toen zij van de motorkap van de bestelbus op de rijbaan viel.

 

Anders dan in de toelichting op het cassatiemiddel wordt betoogd, doet daaraan niet af dat de verdachte naar eigen zeggen in paniek was. Zoals ook uit zijn verdere overwegingen blijkt, heeft het hof geoordeeld dat de verdachte met die enkele opmerking onvoldoende inzicht heeft gegeven in wat tijdens zijn gedragingen in hem is omgegaan. Dat het hof tegen die achtergrond betekenis heeft toegekend aan de uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen van de verdachte geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.”

Conclusie

Verkeerszaken kunnen behoorlijk complex zijn. Wat een verdachte verklaart heeft een behoorlijke invloed of men voor artikel 6 WVW vervolgd word of voor poging doodslag. De straffen bij beide feiten verschillen behoorlijk. Deze zaak toont aan hoe waardevol goed advies kan zijn over wat je eventueel wel en niet moet zeggen.

Wordt u verdacht van een verkeersdelict? Dan kan de hulp van een gespecialiseerd advocatenkantoor u helpen. De advocaat bij ons op kantoor in Bussum die u kan helpen is mr. M.J. Schimmel. U kunt telefonisch contact opnemen via 035 964 48 33 of per e-mail via michiel@hameradvocaten.nl.

Politie Naarden
Michiel
Play Video