Skip to content

Help, ik vind een identiteitsbewijs!

Het kan iedereen overkomen, je bent je rijbewijs, id-kaart of paspoort verloren. Dat is ontzettend vervelend. Vaak wordt die gevonden door een derde die contact met je zoekt of het naar het gemeentehuis of politiebureau brengt (dat laatste is niet helemaal de bedoeling, maar meestal doet het bureau niet al te moeilijk). Dat is fijn en wordt door iedereen gewaardeerd.

Maar wat nou als je het niet naar het bureau brengt, bijvoorbeeld omdat je dat vergeet, even geen tijd hebt of omdat je misschien wat duistere intenties hebt. Ben je dan strafbaar voor bijvoorbeeld verduistering? Daarover heeft de Hoge Raad op 21 september 2021 een interessante arrest gewezen

Casus

Een man wordt op 17 juni 2016 aangehouden en verhoord op 18 juni 2016. Bij zijn aanhouding had hij een rijbewijs bij zich wat niet van hem was. Het verhoor wordt als volgt weergegeven in het arrest:

V: Wat kun je vertellen over de ID kaart in je fouillering?

A: Ik heb deze vorige week gevonden (…).

V: Heb jij je kameraden gevraagd of zij de persoon op de ID kaart kennen?

A: Nee, niet gevraagd.

V: Waarom had jij de ID kaart bij je?

A: Gewoon in mijn portemonnee gedaan (…).

De man wordt vervolgd voor verduistering (artikel 321 van het Wetboek van Strafrecht). Dit artikel luidt, voor zover relevant, als volgt:

“Hij die opzettelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort en dat hij anders dan door misdrijf onder zich heeft, wederrechtelijk zich toeëigent, wordt, als schuldig aan verduistering, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de vijfde categorie.”

Wederrechtelijke toe-eigening

De vraag is hier of uit de stukken kan worden afgeleid of de verdachte zich het rijbewijs “wederrechtelijk had toegeëigend”. De advocaat-generaal zet in de lezenswaardige conclusie bij dit arrest goed uiteen wanneer hiervan volgens hem sprake is. De volledige relevante overweging van de advocaat-generaal luidt als volgt:

Van wederrechtelijk toe-eigenen in de zin van art. 321 Sr is volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad sprake indien een persoon zonder daartoe gerechtigd te zijn als ‘heer en meester’ beschikt over een goed dat aan een ander toebehoort. Bij verduistering ontbreekt, anders dan bij diefstal, een daad van wegnemen die als objectieve maatstaf kan gelden. De verdachte heeft het goed immers rechtmatig onder zich, waardoor de wil tot toe-eigening ergens anders uit moet blijken. Als die intentie niet in de verklaring van de verdachte zelf wordt verwoord, dan zal uit de feiten en omstandigheden (met name het gedrag) moeten kunnen worden afgeleid dat de verdachte met een wil tot toe-eigening als ‘heer en meester’ over het goed is gaan beschikken. Dat is bijvoorbeeld het geval als deze zonder toestemming van de (onwetende) eigenaar of de rechthebbende het desbetreffende voorwerp probeert te vervreemden (verkopen), uitlenen, schenken, verbergen, vernietigen of voor zichzelf wil behouden en hij zich aldus als eigenaar gedraagt. Binnen het leerstuk van de verduistering nemen de gevonden voorwerpen een bijzondere plaats in. De casuïstiek is ook in dit verband veelomvattend. Steeds zal moeten worden gekeken naar de specifieke feiten en omstandigheden van het voorliggende geval. Enige contouren lijken zich wel af te tekenen. Zo is er, naast de omstandigheid dat iemand gedurende een bepaalde tijd nalaat actie te ondernemen om het onder hem gehouden voorwerp aan de rechthebbende terug te geven, nog een relevante aanvullende omstandigheid nodig waaruit het opzet op toe-eigening kan worden afgeleid. Weliswaar zal licht geconcludeerd kunnen worden dat de vinder van een voorwerp niet slechts voornemens was als bewaarder op te treden wanneer hij de als redelijk te beschouwen aangiftetermijn heeft laten verstrijken. Gaat het daarbij om nog een (betrekkelijk) korte tijdsspanne, dan laat zich bij een ontkennende verdachte uit die enkele omstandigheid niet het opzet op de wederrechtelijke toe-eigening destilleren.”

Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden meent dat er in de onderhavige zaak sprake is van “wederrechtelijk toe-eigenen” en stelt:

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder dat verdachte een identiteitskaart op naam van een ander dan verdachte in zijn portemonnee bij zich droeg en deze als vermist/gestolen stond opgegeven. Verdachte heeft verklaard dat hij de identiteitskaart heeft gevonden en voornemens was deze naar de politie te brengen. Het hof acht deze verklaring evenwel niet geloofwaardig, nu verdachte de identiteitskaart reeds geruime tijd (anderhalve week) in zijn bezit (in zijn portemonnee bij zich droeg) had.”

De advocaat-generaal is van mening dat er in de onderhavige zaak in essentie slechts sprake is van het korte tijd bij zich draaien van het identiteitsbewijs in essentie niets extra’s. Hij meent dan ook dat dit verweer (het middel) moet slagen en het arrest van het Gerechtshof vernietigd moet worden. 

Wat vindt de Hoge Raad?

De Hoge Raad volgt de advocaat-generaal niet en acht het oordeel van het Gerechtshof toereikend gemotiveerd. De Hoge Raad oordeelt:

Het hof heeft blijkens de bewijsvoering vastgesteld dat de verdachte bij zijn insluitingsfouillering het in de bewezenverklaring bedoelde identiteitsbewijs in zijn portemonnee bij zich droeg, dat dit identiteitsbewijs als vermist/gestolen stond opgegeven en dat de verdachte dit identiteitsbewijs heeft gevonden. Daarnaast heeft het hof geoordeeld dat het de verklaring van de verdachte dat hij van plan was het identiteitsbewijs naar de politie te brengen niet geloofwaardig acht, aangezien de verdachte de identiteitskaart reeds geruime tijd (anderhalve week) in zijn bezit had en in zijn portemonnee bij zich droeg. Uit deze omstandigheden heeft het hof kunnen afleiden dat de verdachte zich het identiteitsbewijs wederrechtelijk heeft toegeëigend in de zin van artikel 321 van het Wetboek van Strafrecht en dat oordeel is, ook in het licht van hetgeen namens de verdachte is aangevoerd, toereikend gemotiveerd.”

Commentaar en conclusie

Uit het arrest van de Hoge Raad zou men kunnen afleiden dat het enige tijd in bezit hebben van een gevonden voorwerp en dit niet overhandigen aan de bevoegde instanties, reeds een verduistering kan opleveren als er geen goede uitleg is waarom men het voorwerp niet heeft ingeleverd. Dit kan behoorlijk verstrekkende gevolgen hebben. Het is daarom ook van belang dat, mocht je bijvoorbeeld een identiteitsbewijs vinden, je dit zo snel mogelijk inlevert. Anders loop je dus het risico vervolgd te worden voor verduistering. 

Wordt u verdacht van verduistering? Dan kan de hulp van een gespecialiseerd advocatenkantoor u helpen. De advocaat bij ons op kantoor in Bussum die u kan helpen is mr. M.J. Schimmel. U kunt telefonisch contact opnemen via 035 964 48 33 of per e-mail via michiel@hameradvocaten.nl.

rechtbank Utrecht
Michiel
Play Video