De rechter heeft de bevoegdheid om een straf op te leggen. Dat weet iedereen. Maar wist je dat een rechter ook beslissingen mag maken over hoe iemand zich niet of juist wel moet gedragen?
Hoewel het misschien wat gek klinkt, behoort ook deze bevoegdheid tot de gereedschapskist van de rechterlijke macht. Dit worden de ‘bijzondere voorwaarden’ genoemd. Zo kan een rechter bijvoorbeeld bepalen dat iemand verplicht begeleid moet wonen of moet deelnemen aan een gedragsinterventie.
In deze blog zal worden besproken wat bijzondere voorwaarden precies inhouden aan de hand van een recent gewezen arrest van de Hoge Raad dat zich toespitst op twee van de bijzondere voorwaarden die worden genoemd in artikel 14c Sr.
Wat zijn bijzondere voorwaarden?
Zoals hierboven al beschreven zijn bijzondere voorwaarden aanwijzingen die een rechter oplegt met betrekking tot het gedrag van de veroordeelde. Deze aanwijzingen worden niet los opgelegd, maar zijn altijd gekoppeld aan de proeftijd van een voorwaardelijkstelling van een straf. Als een rechter besluit om een straf voorwaardelijk op te leggen, is dit altijd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde binnen de proeftijd geen strafbaar feit begaat. Een rechter kan echter ook beslissen naast deze algemene voorwaarde een (of meer) bijzondere voorwaard(en) op te leggen.
Wanneer een rechter besluit bijzondere voorwaarden op te leggen, moet de veroordeelde zich hier aan houden. Net als bij de algemene voorwaarde geldt dat indien de veroordeelde zich niet aan de bijzondere voorwaarden houdt, de voorwaardelijke straf kan onvoorwaardelijk worden.
Wat mag de rechter als bijzondere voorwaarden dan precies opleggen? Het spreekt voor zich dat de rechter dit niet helemaal zelf mag bedenken. Zij is daarbij afhankelijk van wat er in de wettekst staat. In het wetboek van strafrecht worden de mogelijkheden opgesomd in artikel 14c lid 2. Onder andere het gebieds- en contactverbod behoren tot de mogelijkheden, maar ook bijvoorbeeld de vergoeding van schade, verplichting om op bepaalde tijdstippen te melden bij een bepaalde instantie en een alcohol- of middelenverbod. Ook mag de rechter betreffende het specifieke gedrag van de verdachte een passende voorwaarde stellen.
Het arrest
Op 1 september wees de Hoge Raad een arrest betreffende een veroordeling voor diefstal. In hoger beroep was een voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd. Hierbij werden er ook bijzondere voorwaarden opgelegd. Deze zaak spitste zich toe op twee specifieke voorwaarden: de opneming van een veroordeelde in een zorginstelling en de verplichte zorg. De Hoge Raad wijst in cassatie een interessante arrest door antwoord te geven op twee vragen; (1) wie beslist over de noodzaak tot opneming in een zorginstelling? En, (2) valt het verplicht innemen van medicijnen onder verplichte zorg? Met andere woorden: mag de rechter het verplicht innemen van medicijnen als bijzondere voorwaarde stellen?
Over de eerste vraag stelt de Hoge Raad dat het aan de rechter is om de noodzaak en de duur van opneming te bepalen, zoals in een eerder arrest is bepaald. Toegepast op deze zaak betekent dit kortgezegd dat een veroordeelde aan wie ambulante behandelverplichting is opgelegd, het ook aan de rechter is om te beslissen over de noodzaak tot (korte) klinische opname bij terugval in middelengebruik. Wel geeft de Hoge Raad het hof ‘een tik op de vingers’ door te stellen dat het hof dit specifieker had moeten formuleren. In de setting van een ambulante behandelverplichting, waarbij er een korte klinische opname nodig is, moet de procedure worden gevolgd zoals beschreven in artikel 6:6:19 Sv. Dit is van belang, omdat in dit artikel de bijpassende formaliteiten en regels worden vastgelegd die kunnen afwijken van een meer algemene procedure.
En dan de tweede vraag, valt het verplicht innemen van medicijnen onder verplichte zorg? De Hoge Raad stelt dat het (eventueel) innemen van medicijnen verplicht onderdeel kán zijn van de bijzondere voorwaarde. Oftewel, in het kader van de behandelverplichting kan als onvermijdelijk onderdeel worden opgenomen de veroordeelde te verplichten tot het innemen van medicatie. Dit is aldus niet in strijd met het wetsartikel, mits de verdachte het reclasseringsrapport heeft gelezen en zich daar over heeft kunnen uitlaten op de zitting. Uit de hierboven genoemde procedure van artikel 6:6:19 Sv volgt bijvoorbeeld ook dat de rechter aan de reclassering een toezichtsopdracht kan geven.
Conclusie
Dit arrest is een duidelijk voorbeeld van hoe de bijzondere voorwaarden in de praktijk werken en in hoeverre een rechter iets mag bepalen in het kader van verplichte zorg.
Wanneer in het kader van een (ambulant) behandelplan bepaalde medicatie noodzakelijk is, heeft de rechter aldus de bevoegdheid dit te verplichten onder de noemer van de bijzondere voorwaarden uit artikel 14c Sr.
Op ons kantoor hebben Michiel Schimmel en Thyrsa Buskop veel ervaring met allerlei soorten strafzaken. U kan gerust en geheel vrijblijvend contact met hen opnemen via 035 69 44 8 33.
