Tijdens een zwembadfeest in de zomer van 2020 lijkt het een gezellige avond onder vrienden te worden, totdat de situatie onverwacht en gewelddadig omslaat. Wat begint als een sociale bijeenkomst, eindigt in een juridische beoordeling van geweld en immateriële schadevergoeding.
In deze zaak staat vooral de vraag centraal of het slachtoffer recht heeft op vergoeding van immateriële schade. Daarbij draait het niet alleen om wat er precies is gebeurd, maar ook om de afbakening tussen aantoonbaar geestelijk letsel en situaties waarin de ernst van het geweld op zichzelf al aanleiding kan geven tot immateriële schadevergoeding. Waar ligt de grens tussen een ingrijpende ervaring en juridisch erkende immateriële schade? Over al deze vragen ging een recente conclusie van de advocaat-generaal bij de Hoge Raad.
Wat speelde er in deze zaak?
Aangever had op 11 augustus 2020 thuis een zwembadfeest georganiseerd, waarbij meerdere vrienden en vriendinnen aanwezig waren. Een van hen was de medeverdachte. Omstreeks 01:30 uur vroeg de medeverdachte aan aangever of hij mee wilde komen, omdat iemand hem wilde spreken. Aangever liep daarop mee naar een auto die tegenover zijn woning geparkeerd stond. Nadat aangever en de medeverdachte waren ingestapt, reed verdachte weg. De medeverdachte, die aangever van het feestje had opgehaald en met hem was meegereden, zat achterin de auto.
Verdachte stopte vervolgens de auto en zei tegen aangever: “denk je echt dat we een rondje zouden gaan rijden”, waarna hij aangever in de auto mishandelde door hem meermalen tegen het hoofd en lichaam te stompen. Uit de geneeskundige verklaring blijkt dat aangever daarbij onder meer een blauw oog, een zwelling aan de kaak, een dikke lip en bloeduitstortingen op zijn bovenarm en linkerflank/ribben heeft opgelopen. Aangever vorderde echter niet alleen op de grond van het lichamelijk letsel schade, maar op grond van een aantasting in de persoon wegens de aard en ernst van de normschending.
Toetsingskader
Voor een vergoeding van immateriële schade moet sprake zijn van een wettelijke grondslag uit artikel 6:106 BW. Dat kan bijvoorbeeld gaan om lichamelijk letsel, aantasting van eer of goede naam, of een “aantasting in de persoon op andere wijze”. Van zo’n aantasting is in ieder geval sprake wanneer geestelijk letsel objectief kan worden vastgesteld. Het slachtoffer moet dan met concrete gegevens onderbouwen dat daadwerkelijk psychische schade is ontstaan. Gevoelens van angst, stress of onveiligheid alleen zijn doorgaans onvoldoende.
Ook zonder objectief vastgesteld geestelijk letsel kan toch aanspraak bestaan op immateriële schadevergoeding. Daarvoor moet de normschending echter voldoende ernstig en ingrijpend zijn, waarbij ook de gevolgen voor het slachtoffer een belangrijke rol spelen. In beginsel moet het slachtoffer die gevolgen concreet onderbouwen, tenzij de aard en ernst van de gebeurtenis zó ingrijpend zijn dat de nadelige gevolgen voor de hand liggen. Bij de beoordeling en begroting van de immateriële schadevergoeding mag de rechter daarnaast rekening houden met alle omstandigheden van het geval, zoals de ernst van het feit, de wijze waarop het is gepleegd en de mate van verwijtbaarheid.
Vroeger werd weleens aangenomen dat als men pijn heeft, bijvoorbeeld ten gevolge van een mishandeling, men ook recht heeft op smartengeld. Hierover heeft de Hoge Raad reeds afgelopen februari duidelijkheid gegeven. De Hoge Raad oordeelde toen:
“Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte de benadeelde partij meermalen tegen het gezicht heeft gestompt. Daarnaast heeft het overwogen dat uit het dossier niet volgt dat de benadeelde partij als gevolg daarvan “(objectief waarneembaar) letsel heeft bekomen”. Vervolgens heeft het hof geoordeeld dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Het daarin besloten liggende oordeel van het hof dat de aard en ernst van de normschending in dit geval zo ingrijpend zijn dat een onderbouwing met concrete gegevens van die aantasting in de persoon achterwege kan blijven, is niet zonder meer begrijpelijk. Dat de benadeelde partij nog heeft aangevoerd dat, kort gezegd, hij zich na de gebeurtenis mentaal en fysiek niet in staat achtte om te werken en hij bang was en nog steeds is voor de verdachte, kan niet tot een ander oordeel leiden. Dat brengt mee dat ook de oplegging van de in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht voorziene maatregel niet in stand kan blijven (vgl. HR 18 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:901).”
De vraag is dan ook of er in deze zaak voldoende is om ook de “restgrond” aan te nemen.
Beoordeling
Volgens het hof is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezen verklaarde handelen van de verdachte. Daarbij ging het niet alleen om lichamelijk letsel, maar ook om een aantasting van de persoon op andere wijze, zoals bedoeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek. Hoewel op basis van de beschikbare informatie geen objectief vast te stellen geestelijk letsel kon worden aangetoond, vond het hof dat de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer zwaar genoeg wogen om toch immateriële schadevergoeding toe te kennen. Bij die beoordeling keek het hof onder meer naar de aard en ernst van het delict, de impact op de benadeelde partij en de bedragen die in vergelijkbare zaken doorgaans door Nederlandse rechters worden toegekend. Het gevorderde bedrag van € 1.000 werd daarom redelijk en billijk geacht.
Daarnaast legde het hof de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op. Daarmee wordt bevorderd dat de verdachte de schadevergoeding daadwerkelijk betaalt.
In het arrest verduidelijkte het hof bovendien op welke wettelijke grondslag de immateriële schadevergoeding was gebaseerd. Het ging daarbij om zowel lichamelijk letsel als een “aantasting in de persoon op andere wijze” in de zin van artikel 6:106 lid 1 onder b BW. Het hof benadrukte dat voor die laatste categorie niet altijd objectief aantoonbaar geestelijk letsel nodig is. Ook de ernst van de normschending en de gevolgen voor het slachtoffer kunnen voldoende zijn om een vergoeding toe te kennen.
De advocaat-generaal benadrukt in de conclusie dat een vergoeding voor immateriële schade wegens een “aantasting in de persoon op andere wijze” niet te snel mag worden aangenomen. Daarvoor zijn in beginsel concrete gegevens nodig over de gevolgen voor het slachtoffer; alleen in uitzonderlijke gevallen kan de ernst van de normschending zó groot zijn dat die gevolgen worden verondersteld, doorgaans bij zeer ingrijpende schendingen van fundamentele rechten. In deze zaak acht de advocaat-generaal de motivering van het hof op dit punt onvoldoende, omdat niet duidelijk is welke concrete psychische of persoonlijke gevolgen het slachtoffer heeft ondervonden en een enkele verwijzing naar angst en onveiligheid niet volstaat.
Dit leidt echter niet tot cassatie, omdat de schadevergoeding ook kan worden gebaseerd op het vastgestelde lichamelijk letsel, dat op zichzelf al een grondslag vormt voor immateriële schadevergoeding. Bovendien mocht het hof de ernst van de omstandigheden meewegen bij de hoogte van de immateriële schadevergoeding. Daarbij ging het onder meer om het meebrengen van het slachtoffer, de kwetsbare positie waarin hij verkeerde en de wijze van mishandeling. Daardoor ziet de advocaat-generaal geen reden tot vernietiging van het arrest van het gerechtshof. Desalniettemin is het een zeer interessante conclusie nu op alle aspecten van de grondslag voor de schadevergoeding wordt ingegaan.
Conclusie
Deze zaak laat zien dat de grens tussen een ingrijpende ervaring en juridisch erkende immateriële schade niet altijd scherp is. Hoewel geen objectief vast te stellen psychisch letsel werd aangetoond, achtte het hof de combinatie van lichamelijk letsel en de ernst van de mishandeling voldoende voor een vergoeding. De advocaat-generaal benadrukt daarbij dat zo’n vergoeding niet te snel mag worden aangenomen en dat in beginsel concrete aanwijzingen voor psychische schade nodig zijn, behalve in uitzonderlijk ingrijpende gevallen. Ondanks kritische kanttekeningen blijft de vergoeding in stand, omdat het lichamelijk letsel en de ernst van het feit op zichzelf al voldoende grond kunnen vormen.
Op ons kantoor hebben Michiel Schimmel en Thyrsa Buskop veel ervaring met allerlei soorten slachtofferzaken. U kan gerust en geheel vrijblijvend contact met hen opnemen via 035 69 44 8 33.
