Er zijn veel zaken die gaan over de vraag of er voldoende bewijs is voor een bewezenverklaring. Simpel gezegd is de regel “een getuige is geen getuige” van toepassing. In de loop van tijd is hier bijzonder veel jurisprudentie over verschenen over de vraag wat dan steunbewijs is en hoe dit gekwalificeerd moet worden. Deze ontwikkeling heeft voornamelijk plaats gevonden in zedenzaken waarbij er vaak maar één dader en één slachtoffer is en verder geen getuige. Heel soms komt deze materie echter ook bij de Hoge Raad in andere zaken. Afgelopen maand heeft de Hoge Raad arrest gewezen in zo’n zaak.
De Emmer
Waar ging de zaak over? Het gaat om een zaak op 9 juni 2021. Een vrouw verklaard al maanden geterroriseerd te worden door haar buurvrouw. Dit liep volgens haar de spuigaten uit. Op een gegeven moment hoort zij haar buurvrouw naar haar toekomen. Zij verklaart vervolgens in haar aangifte “Dief! Dief! Dit is mijn emmer! Krankzinnige, krankzinnige!” (…) Tijdens dat ik omhoog kwam sloeg [betrokkene 1] mij met kracht tegen de rechterkant van mijn gezicht met mijn emmer. Ik voelde op dat moment direct pijn aan de zijkant van mijn gezicht. Het ging zo snel dat ik geen mogelijkheid kreeg mijn hoofd te beschermen want vervolgens sloeg zij mij met kracht tegen de bovenkant van mijn hoofd, ook met mijn emmer. Ik voelde een enorme pijn waardoor ik nu een hele zware hoofdpijn heb. Daarna kreeg ik de emmer deels in mijn gezicht waardoor ik nu een wondje heb boven mijn bovenlip en waardoor de binnenkant van mijn onderlip kapot is. Tevens heb ik door de klap een zwelling aan de rechterzijde van mijn neus.”
De buurvrouw verklaart iets heel anders. Zij heeft het nergens over geweld, maar verklaart in haar verhoor “Ik stond voor mijn keukenraam. Ik keek naar buiten en ik zag dat zij mijn emmer had. Ik dacht heey dat is mijn emmer. Ik ben toen naar buiten gelopen om mijn emmer terug te vragen. Ik wees naar mijn emmer en ik vertelde haar: Heey, dat is mijn emmer.”
Deze twee verklaringen achtte het Gerechtshof voldoende om de verdachte op te veroordelen. Het gerechtshof noemt in haar uitspraak ook nog dat er letsel is bij de aangeefster, maar verzuimt te benoemen waar zij dat vandaan haalt.
In essentie zijn er dus maar twee bewijsmiddelen; de aangifte en de verklaring van de verdachte, waaruit niet blijkt dat er geweld is gebruikt. Verder constateert de huisarts kennelijk wat krasjes, maar wordt niet benoemd waar dat staat en wat de waarde hiervan is.
Conclusie advocaat-generaal
De advocaat-generaal is er duidelijk over. Dit is onvoldoende. In haar conclusie schrijft ze:
“3.4 In dit geval reikt de voor het bewijs gebruikte verklaring van de verdachte niet verder dan dat zij naar buiten is gegaan en tegen de aangeefster heeft gezegd dat het haar emmer was. Zonder bijkomende omstandigheden, biedt deze verklaring naar mijn mening onvoldoende steun aan de verklaring van de aangeefster dat de verdachte haar met de emmer heeft geslagen.
3.5 Ik merk nog op dat het hof in zijn bewijsoverweging heeft overwogen dat de verklaring van de aangeefster ook wordt ondersteund door “het bij de aangeefster geconstateerde letsel”. Voor zover het hof heeft beoogd dit geconstateerde letsel voor het bewijs van het tenlastegelegde te gebruiken, heeft het verzuimd het bewijsmiddel aan te duiden waaraan het hof het bestaan van dit letsel heeft ontleend. Daarmee kan dit (kennelijk) geconstateerde letsel geen rol spelen bij de beoordeling in cassatie of de bewijsvoering van het hof het bewijsminimum in art. 342 lid 2 Sv ontstijgt.”
Het bewijs voor het letsel is voor haar dus niet vindbaar bij de beoordeling en meer is er niet.
Hoge Raad
De vraag is dan natuurlijk wat de Hoge Raad doet. Die begint met de algemene regel over hoe het bewijsminimum werkt, te weten:
“Volgens artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling heeft betrekking op de tenlastelegging in haar geheel en niet op een onderdeel daarvan. Zij beoogt de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing te waarborgen, in die zin dat artikel 342 lid 2 Sv de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen als de door één getuige naar voren gebrachte feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vereist een beoordeling van het concrete geval. De Hoge Raad kan daarom geen algemene regels geven over de toepassing van artikel 342 lid 2 Sv, maar daarover slechts tot op zekere hoogte duidelijkheid geven door het beslissen van concrete gevallen. Opmerking verdient nog dat het bij de beoordeling in cassatie of aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv is voldaan, van belang kan zijn of de feitenrechter zijn oordeel dat dat het geval is, nader heeft gemotiveerd. (Vgl. HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2452.)”
Samengevat geldt dus nog steeds de “een getuige is geen getuige” regel. Toegepast op de casus oordeelt de Hoge Raad:
“Het hof heeft geoordeeld dat de feiten en omstandigheden waarover de aangeefster heeft verklaard, in voldoende mate steun vinden in de andere gebruikte bewijsmiddelen. Dat oordeel is echter om de volgende redenen niet zonder meer begrijpelijk. Het door het hof vastgestelde letsel volgt niet uit iets anders dan uit de verklaring van de aangeefster. Daarnaast houden de overige door het hof gebruikte bewijsmiddelen slechts in dat de verdachte heeft verklaard dat het haar emmer was en dat zij naar buiten is gelopen om die emmer terug te vragen en dat zij ook wel wordt aangesproken met de naam [betrokkene 1].”
Ook de Hoge Raad is hier duidelijk. De aangifte is het enige bewijsmiddel. De verdachte verklaart niets over een mishandeling en voor de rest is er geen bewijs. Dit is onvoldoende voor een veroordeling.
Conclusie
Doorgaans gaan de discussies in de zittingszaal over de betrouwbaarheid van het bewijs en niet over de vraag of er voldoende bewijs is. Toch is het handig om dit scherp te hebben want incidenteel gaat dit mis, ook buiten zedenzaken.
Op ons kantoor hebben Michiel Schimmel en Thyrsa Buskop veel ervaring met allerlei soorten strafzaken. U kan gerust en geheel vrijblijvend contact met hen opnemen via 035 69 44 8 33.
