Onze blogs

Hier vindt u onze blogs over actuele zaken.

Waarvan word ik nu verdacht?

Deze blog gaat over de vraag in hoeverre de politie je moet informeren over de exacte verdenking als je bent aangehouden of uitgenodigd voor verhoor als verdachte. Hierover heeft de advocaat-generaal recent een interessante conclusie geschreven. De volledige conclusie tref je hier.

Casus

Een man wordt op 8 oktober 2014 aangehouden op verdenking van overtreding van artikel 326 Wetboek van Strafrecht, te weten “oplichting”. Hij geeft aan een advocaat te willen en wordt in de loop van de middag gevraagd of hij begrepen heeft waarvan hij verdacht wordt. Hij geeft aan dat dit niet het geval is. Na uitleg begrijpt hij het wel, althans zo staat in de conclusie.

Uiteindelijk wordt hem ten laste gelegd dat hij als rijinstructeur een examinator van het CBR heeft omgekocht. Hij wordt veroordeeld voor omkoping van een ambtenaar (artikel 177 Wetboek van Strafrecht) tot een gevangenisstraf van twee maanden voorwaardelijk en een verbod tot het uitoefenen van het beroep rijschoolhouder voor drie jaar. De verdachte gaat in cassatie en voert onder andere aan dat hem, in strijd met artikel 6 EVRM en artikel 27c Wetboek van Strafvordering, niet duidelijk is gemaakt waarvan hij nu verdacht wordt. Hierom had volgens hem het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard moeten worden.

Wettelijk kader en jurisprudentie

In artikel 27c van het Wetboek van Strafvordering is bepaald dat:

“Aan de verdachte wordt bij zijn staandehouding of aanhouding medegedeeld ter zake van welk strafbaar feit hij als verdachte is aangemerkt. Buiten gevallen van staandehouding of aanhouding wordt de verdachte deze mededeling uiterlijk voorafgaand aan het eerste verhoor gedaan.”

Dit artikel is gebaseerd op een Richtlijn van de Europese Unie (richtlijn 2012/13/EU). De vraag die dan onmiddellijk opkomt is de vraag, wat wordt hier bedoeld met welk strafbaar feit? Gebruikelijk is, althans in mijn ervaring, dat doorgaans slechts het wetsartikel wordt medegedeeld met daarnaast hoogstens een vermeende pleegdatum. Dus in brieven waarin een verdachte ontboden (i.e. “uitgenodigd”) wordt staat bijvoorbeeld “u wordt uitgenodigd om als verdachte te worden gehoord over valsheid in geschrifte, gepleegd op 1 januari 2021”. 

Dit is hetzelfde bij een aangehouden verdachte, ook dan wordt het vaak kort gehouden. Ik maak weinig mee dat er iets meer gezegd wordt dan het artikel en een vermeende pleegdatum. Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens heeft over dergelijke zaken samengevat geoordeeld dat het recht van de verdachte om te worden geïnformeerd over de beschuldiging in het licht van die adequate voorbereiding van zijn verdediging moet worden beschouwd. De advocaat-generaal stelt over deze jurisprudentie dat de eisen die het Europese Hof voor de Rechten van de Mens aan de mate van gedetailleerdheid van de beschuldiging stelt, verschillen naargelang de omstandigheden van de individuele zaak. Uiteindelijk is beslissend of de procedure als geheel eerlijk is verlopen.

De wetgever heeft laatstelijk, bij wijziging van dit artikel, samengevat geoordeeld dat in principe pas bij het uitbrengen van de dagvaarding meer informatie hoeft te worden verstrekt dan slechts de mededeling van het strafbare feit.

Conclusie advocaat-generaal

Terug naar de conclusie van de advocaat-generaal en de casus. In deze zaak was slechts het wetsartikel medegedeeld bij de aanhouding en meer niet, het hof vond dat voldoende. De advocaat-generaal vindt dit echter onvoldoende en stelt dat in zijn algemeenheid niet kan worden volstaan met slechts het noemen van het relevante wetsartikel.

Immers strekt het recht op informatie over de beschuldiging strekt er onder meer toe de daadwerkelijke uitoefening van de rechten van de verdediging te waarborgen. Het recht voorafgaand aan het eerste politieverhoor een raadsman te consulteren en op basis van dat overleg de procespositie te bepalen moeten daaronder mede worden verstaan. Het voert te ver aan te nemen dat voor een effectieve uitoefening van dat recht de enkele mededeling van een wetsartikel in de regel volstaat. De politie moet dus in principe meer doen dan het slechts mededelen van het wetsartikel.

Deze conclusie kan voor de dagelijkse praktijk van belang zijn. Het is voor de verdediging van behoorlijk belang om te weten wat er exact aan de hand is. Immers kan een advocaat beter adviseren over een te kiezen proceshouding indien duidelijker is wat er aan de hand is. In de huidige situatie adviseert een advocaat wel om te zwijgen, simpelweg omdat volstrekt onduidelijk is wat de verdenking is. Als er voor het verhoor meer informatie bekend zou zijn, zou dit weleens kunnen veranderen.

Voor concrete zaken is wel de vraag wat het rechtsgevolg zou moeten zijn van het niet correct mededelen van de verdenking. In de casus werd getracht het OM niet-ontvankelijk te verklaren, maar daar gaat de advocaat-generaal niet in mee.

Conclusie

Mocht je aangehouden worden, of opgeroepen worden voor verhoor, dan dient de politie je mede te delen waarvan je verdacht wordt. In principe heb je volgens de advocaat-generaal bij de Hoge Raad in ieder geval recht op die informatie die je nodig hebt om je procespositie te bepalen. De vraag is wel hoe de politie hier mee om gaat. Met eerdere arresten van de Hoge Raad, bijvoorbeeld over het afnemen van vingerafdrukken en een foto bij een ontbieding, slaat de politie de jurisprudentie van de Hoge Raad in mijn ervaring in de wind.

Al met al kan deze zaak je echter wel een verweer opleveren in een strafzaak die het waard is om te voeren. Mocht je verdacht worden van een strafbaar feit, dan is het van belang om een juiste strategie te kiezen. Hulp bij de verdediging van een gespecialiseerd advocaat kan hierbij helpen. Bij ons op kantoor behandelt Michiel Schimmel de strafzaken. Hij is te bereiken op 035 69 44 8 33 of via michiel@hameradvocaten.nl