Onze blogs

Hier vindt u onze blogs over actuele zaken.

Help, mijn vriend heeft anderhalve kilo heroïne in zijn kast!

Recent heeft de Hoge Raad een interessant arrest gewezen over de volgende casus. Op basis van de Opiumwet wordt er op 15 maart 2017 een woning in Rotterdam doorzocht. In een inbouwkast in de woonkamer wordt een heroïnepers en bijna anderhalve kilo heroïne aangetroffen.

Naar aanleiding van deze vondst besluit de politie de camerabeelden in die straat uit te kijken. Zij ziet op de beelden aan aantal mannen de woning betreden, waaronder de verdachte. Zij ziet de verdachte in de periode 13 december 2016 tot en met 15 maart 2017 vier keer de woning betreden.

De verdachte wordt aangehouden en gehoord. Hij  verklaart samengevat dat hij weleens met een vriend mee liep om daar te blowen. Hij heeft niets in het pand gezien. Verder is zijn auto op meerdere dagen bij het pand waargenomen. Zijn verklaring is dat hij die auto , regelmatig uitleent. Al met al heeft hij naar eigen zeggen niets met de heroïne te maken. Ondanks zijn betwisting wordt verdachte  vervolgd voor het in vereniging opzettelijk aanwezig hebben van heroïne.

Het Gerechtshof

Zijn advocaat bepleit vrijspraak voor hem. Dit omdat aan de uiterlijke verschijningsvormen niet de gevolgtrekking kan worden verbonden dat hij het opzet had op de aanwezigheid van heroïne. Het Gerechtshof Den Haag gaat hier niet in mee en oordeelt:

“Het hof stelt op grond van de gebezigde bewijsmiddelen vast dat de medeverdachte ([betrokkene 3]) de woning aan het [a-straat 1] te Rotterdam van de huurder in bruikleen had gekregen, dat de medeverdachte en de verdachte zich verschillende keren samen in de woning bevonden, dat zij daar ook kort voor de doorzoeking nog zijn geweest en dat andere personen de woning betraden in gezelschap van de verdachte of de medeverdachte. Hieruit leidt het hof af dat de verdachte en de medeverdachte beiden feitelijk gebruik maakten van de genoemde woning. Op grond van het voorgaande, bevond de in genoemde, woning aangetroffen hoeveelheid heroïne zich in de machtssfeer van de verdachte en de medeverdachte, terwijl de verdachte en de medeverdachte - als feitelijke gebruikers van die woning - wetenschap moeten hebben gehad van de aanwezigheid van die heroïne.

Nu de verdachte en de medeverdachte op verschillende momenten gezamenlijk in de woning aanwezig waren, acht het hof bewezen dat sprake is van het medeplegen van het aanwezig hebben van de aangetroffen heroïne.”

Conclusie advocaat-generaal

De verdachte is het, begrijpelijkerwijs, niet eens met het gerechtshof en stapt naar de Hoge Raad. Hij stelt daar, voor zover relevant, dat het opzettelijk en in vereniging aanwezig hebben van verdovende middelen niet uit de bewijsmiddelen kan volgen, althans dat die bewezenverklaring niet begrijpelijk is gemotiveerd. De advocaat-generaal (Spronken) is het met verdachte eens om de volgende redenen.

Juridisch kader

Eerst zet zij het juridisch kader voor het in vereniging (medeplegen) van het opzettelijke aanwezig hebben van drugs uiteen. Voor de vraag of iemand opzettelijk verdovende middelen aanwezig heeft, is niet van belang tot wie de middelen horen, evenmin hoeft sprake te zijn van een beschikkings- of beheersbevoegdheid. De verdovende middelen moeten zich wel in de machtssfeer bevinden van de verdachte. Belangrijk hiervoor is dat de verdachte weet van de verdovende middelen, althans van de aanmerkelijke kans op de aanwezigheid van verdovende middelen.

Meer specifiek voor medeplegen is van belang dat er een gezamenlijke machtsuitoefening van voldoende gewicht is, waarbij de samenwerking en bijdrage van een verdachte relevant zijn. Als men hierover niets wil verklaren, dan kan een dergelijke wetenschap eventueel met toepassing van algemene ervaringsregels uit de omstandigheden van het geval worden afgeleid.

Belangrijk is hier wel dat de enkele wetenschap en het niet distantiëren onvoldoende zijn voor een bewezenverklaring van medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben.

Toepassing

Dit toegepast op deze strafzaak leidt tot het volgende resultaat. Het Hof heeft uit de omstandigheden dat verdachte en een medeverdachte verschillende keren de woning betraden (ook kort voor de doorzoeking), afgeleid dat zij beiden feitelijk gebruiker waren van de woning en dat de heroïne zich aldus in de machtssfeer bevond van de verdachte als feitelijke gebruiker, omdat hij er wel wetenschap van moeten hebben gehad. Het Hof stelt immers dat de algemene ervaringsregel leert dat een gebruiker van een woning, die toegang heeft tot alle vertrekken, bekend is wat zich in een woning bevindt.

De advocaat-generaal volgt deze redenering niet. Zij stelt dat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat de verdachte zelfstandig toegang had tot de woning. Hij is er slechts vier keer geweest, was niet de hoofdbewoner en als hij met anderen kwam, opende die anderen telkens de voordeur. Hij was al met al slechts een bezoeker.

Gelet op die omstandigheden is het oordeel dat hij een feitelijk gebruiker was van de woning, onvoldoende gemotiveerd. Hier komt nog bij dat de heroïne in een plastic zak zat en het nog maar de vraag was of verdachte de inhoud van de zak heeft gezien.

Echter, zelfs als hij wist van de heroïne, is het nog maar de vraag of de enkele wetenschap en het niet distantiëren voldoende is voor het medeplegen tot het aanwezig hebben van heroïne.

De Hoge Raad

De Hoge Raad volgt, onder verwijzing naar de conclusie, de advocaat-generaal. Zij vernietigt de uitspraak van het gerechtshof en stuur de zaak terug.

Conclusie

Voor een bewezenverklaring tot het “in vereniging aanwezig hebben van verdovende middelen” is onvoldoende als je slechts ziet dat iemand drugs in de kast heeft liggen. Voor een veroordeling van opzettelijk aanwezig hebben van verdovende middelen is vereist dat de drugs zich in je machtssfeer bevindt.

Wat bekent dit nu: in je machtssfeer bevinden? Dit wat vage criterium wordt door de advocaat generaal in andere zaak als volgt uitgelegd:

“Om te kunnen aannemen dat verdovende middelen zich in de machtssfeer van de verdachte hebben bevonden, dient uit feiten en omstandigheden – al dan niet in hun onderlinge samenhang beschouwd – te kunnen worden afgeleid dat de verdachte een zodanige macht kon uitoefenen over de verdovende middelen dat de verdachte geacht kan worden die verdovende middelen aanwezig te hebben gehad.”

Hiervan is bijvoorbeeld wel sprake als je bestuurder bent van een auto en je medepassagiers drugs bij zich hebben, maar niet als slechts kan worden vastgesteld dat je samen met andere in een woning verblijft waar ook drugs zijn en dat je hiervan op de hoogte bent.

Al met al valt er het een en ander te bepleiten indien je verdacht wordt van het voorhanden hebben van drugs. Het helpt om hierbij een gespecialiseerd advocaat te hebben. Bij ons op kantoor behandelt Michiel Schimmel met regelmatig dergelijke zaken. Mocht je een dagvaarding hebben ontvangen voor drugsbezit, dan kan hij je bijstaan. Je kunt  hem bereiken via michiel@hameradvocaten.nl of via 035 69 44 8 33.